
Onder de eerste reacties op het nieuws van mijn benoeming tot hoogleraar cultuureducatie zaten opvallend veel vragen over de twee delen waar de leeropdracht uit bestaat: cultuur en educatie. Waarom die twee woorden? Waarom niet kunst, waarom geen onderwijs? En wat vond ik daar eigenlijk van, van cultuur, welke definitie hing ik aan?
Ik vond dat heel vermakelijk, omdat het precies was wat ik in mijn oratie wilde gaan zeggen, namelijk dat de sector zichzelf in mijn ogen tekort doet door blijven hangen in dit soort definitiekwesties. De kern van mijn oratie en mijn onderzoek is dat we ons beter kunnen richten op de praktijk van kunstdocenten, leerlingen, leerkrachten en andere betrokkenen en uitvoerders, omdat elke definitie iets uitsluit.
Tweedeling
Ik pleit ervoor te kijken naar ‘wat we doen als we cultuureducatie doen’. Laten we niet uitgaan van woordenboeken, maar van de kennis en ervaring van docenten en leerlingen. De belangrijkste reden? De kritiek die al enkele jaren vanuit met name de cultuurwetenschappen wordt geuit op het denken dat achter het denken over kunst, cultuur en onderwijs schuilgaat. Dat denken stelt alleen het perspectief van de mens centraal en gaat uit van een tweedeling tussen mens en wereld, cultuur en natuur.
Wanneer we er vanuit gaan dat de manier waarop wij iets in woorden uitdrukken overeenkomt met de wereld om ons heen, leggen we als het ware een raster op de werkelijkheid die meer over ons zegt dan over die werkelijkheid. Dat wij bijvoorbeeld een woord hebben voor natuur en een woord voor cultuur betekent niet dat in de wereld buiten ons dat onderscheid per se ook zinvol is.
Als iets dit is, is het niet dat
Het tweede bezwaar tegen denken vanuit definities is dat ze leiden tot binariteit, oftewel tweedeling: als iets dit is, is het niet dat. Dat is een westerse manier van denken die elders in de wereld niet gedeeld wordt. Cultuureducatie verdient in mijn ogen een bredere blik op wie wij zijn en hoe wij ons verhouden tot de wereld om ons heen. Sterker nog: wanneer we goed kijken naar wat er in de praktijk gebeurt, zien we dat de verbinding met de wereld, door het maken of ervaren van kunst en cultuur nooit zo binair is als je zou verwachten vanuit de klassieke, westerse, kunsttheorie.
Laten we dit verkennen door in drie stappen te kijken naar de praktijk van cultuur, van educatie en, tot slot, van cultuureducatie.
Stap 1: wat doen we als we cultuur doen?
Wat doen we als we in aanraking komen met kunst en cultuur? Wanneer we terugblikken naar de geschiedenis van het denken over kunst en cultuur zien we dat ondanks alle meningsverschillen tussen de vele denkers over wat kunst is of zou moeten zijn één aspect overeind blijft staan. Dat is de stelling van Immanuel Kant dat het gaat om het vellen van een oordeel. Het culturele oordeel is het moment dat je iets ervaart als mooi of lelijk, als indrukwekkend of afgrijselijk. Op dat moment kun je je niet voorstellen dat iemand anders iets anders ervaart of voelt dan jij. Dat maakt het culturele oordeel tot een moment van verbinding tussen jou en de wereld en tussen jou en alle andere mensen, of dat nu een moment van herkenning is of van conflict.
Wat we doen als we cultuur doen is dus een directe, onmiddellijke ervaring hebben, geen rationele of gereflecteerde ervaring. Tegelijk is wat we doen als we cultuur doen de ervaring van verbonden zijn met de wereld en de mensen om ons heen, als tegelijkertijd anders dan wijzelf en onlosmakelijk verbonden met wie we zijn. Dat is een belangrijk inzicht, omdat het ons uit de discussie haalt over de vraag of iets kunst genoemd mag worden en vooral omdat het een startpunt biedt om over cultuur te spreken die voorbij gaat aan klassieke westerse manieren van denken.
Stap 2: wat doen we als we educatie doen?
Dat lijkt een eenvoudige vraag: we leren. Maar wat doen we dan? Simpel gezegd doen we dan iets wat we nog niet eerder hebben gedaan. En wanneer dat echt betekenisvol is, is dat een spannende onderneming: durf je wel iets écht nieuws te doen? Daarbij komt dat echt iets nieuws doen verder gaat dan een kunstje leren. Wanneer je je iets eigen maakt, verander je daardoor de manier waarop je je tot de wereld verhoudt. Hoe ouder je bent, hoe meer je daarvoor dingen moet afleren. In de Duitse literatuur wordt dat soms ‘Umlernen’ genoemd, omleren. Als je iets leert maak je altijd een draai, je danst!
Stap 3: wat doen we als we cultuureducatie doen?
Met andere woorden: wat doen we als we leren oordelen over kunst en cultuur, en welke draai maken we daarbij? Als cultuur gaat over verbondenheid met de wereld en we willen groeien in dat oordeelsvermogen, gaat het als vanzelf om twee dingen. Ten eerste een kritische houding ten opzichte van de manier waarop je tot nu toe tegen de wereld aankeek. Cultuureducatie moet uitgaan van het idee van sabotage als middel, om te komen tot een echt kritisch oordeelsvermogen, tot de vaardigheid om zich andere werelden voor te stellen.
En ten tweede een breder-dan-cognitieve manier van in de wereld zijn. Het is belangrijk dat leerlingen ervaren dat nadenken niet de enige bron van kennis is, dat fysieke ervaring ook kennis oplevert, ook al is dat niet makkelijk terug te brengen tot makkelijk toetsbare uitkomsten.
Daarvoor hebben we denkers nodig als Gayatri Spivak, wier An Aesthetic Education in an Era of Globalization een grote inspiratiebron voor mij is. Zij pleit voor ‘affirmative sabotage’ als kern van esthetisch onderwijs. Daarmee bedoelt ze het je kritisch verhouden tot ‘het systeem’ met als doel dat systeem, zowel het onderwijs als de samenleving, van binnenuit te veranderen door andere manieren van leren en ervaren toe te laten dan alleen die manieren die voortkomen uit de westerse traditie. Een radicale, maar noodzakelijke oproep aan het veld van de cultuureducatie: sabotage!
Dit stuk is gebaseerd op de oratie die Edwin van Meerkerk op 22 november 2024 hield ter ere van zijn benoeming tot hoogleraar Cultuureducatie aan de Radboud Universiteit. Lees hier de volledige tekst van de oratie.
Reageer (je reactie verschijnt na goedkeuring, vanwege spam)